Het Eiland van Verloren Speelgoed
~ niets is écht verloren ~
Nora had haar lievelingspoppetje verloren. Een klein houten poppetje met rode wangen, dat ze van haar opa had gekregen. Ze noemde hem Bep. En nu was Bep weg.
Ze had overal gezocht. Onder haar bed. In de tuin. In de jassenkast. Niets.
's Nachts droomde ze van Bep. In haar droom zat hij op een strand, met andere speelgoedjes om zich heen. Hij zwaaide naar haar.
De volgende ochtend besloot Nora om de droom serieus te nemen. Misschien was Bep echt ergens op een strand?
Op zolder vond ze een oude zeeschelp van haar opa. Toen ze hem tegen haar oor hield, hoorde ze niet alleen de zee, maar ook een stemmetje. Het stemmetje van Bep.
"Volg het geluid," zei Bep.
Nora hield de schelp tegen haar oor en liep ermee mee. De schelp leidde haar door de gangen, de trap af, de tuin in, en de poort uit. Ze liep door velden, door bossen, totdat ze bij een meer kwam dat ze nog nooit had gezien.
Aan de oever lag een bootje. Op het bootje stond: 'Voor wie iets zoekt'.
Nora stapte in. Het bootje voer vanzelf, recht naar het midden van het meer. Daar lag een klein eiland.
Op het eiland, op het strand, lag al het verloren speelgoed van de wereld. Knuffels zonder vacht, blokken zonder doos, ballen zonder lucht, poppetjes zonder hoofd. En in het midden, op een steen, zat Bep.
"Bep!" riep Nora. Ze rende naar hem toe.
Bep glimlachte. "Ik wist dat je zou komen."
"Wat doen jullie allemaal hier?" vroeg Nora.
"Verloren speelgoed gaat naar dit eiland," legde Bep uit. "Hier wachten we. Soms komt iemand ons halen. Soms blijven we hier voor altijd. Dat is niet erg, want we hebben elkaar."
Nora keek rond. Een paar speelgoedjes zaten verdrietig in een hoekje. Anderen speelden vrolijk met elkaar.
"Wie zijn de verdrietige?" vroeg ze.
"Die zijn vergeten," zei Bep. "Niemand denkt meer aan ze."
Nora dacht na. Toen pakte ze één van de verdrietige knuffels, een aapje zonder oor. "Hé," zei ze. "Wil je mee?"
Het aapje keek met grote ogen. "Mag dat?"
"Natuurlijk."
Nora nam Bep én het aapje mee terug in het bootje. Thuis aangekomen zette ze het aapje op haar plank. Ze naaide met mama een nieuw oor van blauwe stof. Nu had hij één rood en één blauw oor.
"Hoe heet jij?" vroeg Nora.
"Niemand heeft me ooit een naam gegeven," zei het aapje verlegen.
Nora dacht na. "Dan noem ik je Vondel. Want je bent een vondst."
Vondel werd haar tweede lieveling.
En soms, in haar dromen, gaat Nora nog steeds naar het eiland. Niet om iets te halen, maar om hallo te zeggen tegen de speelgoedjes die nog wachten. Want ze weet nu: niemand is écht verloren als iemand aan ze denkt.
~ Einde ~