De Avonturen van Pip de Egel
~ op zoek naar de perfecte appel ~
Pip was de kleinste egel van het bos, maar hij had de grootste honger. Elk najaar ging hij op zoek naar de allerbeste appel. Niet zomaar een appel: de perfecte appel.
Op een ochtend stopte hij twee theedoekjes en een potlood in zijn rugzakje, zwaaide naar zijn mama, en vertrok.
De eerste appel die hij vond was rood en glanzend, maar hij rook flauw. "Nee dank u," zei Pip beleefd, en liep verder.
De tweede appel was groen en heel hard. Pip beet er een hapje van. "Au!" Hij voelde een tand wiebelen. "Nee dank u," zei hij weer.
Een ekster die boven hem in de boom zat, lachte. "Egels zijn nooit tevreden!"
"Ik wel," zei Pip. "Ik zoek de juiste appel. Een die zo sappig is dat het sap langs mijn snuit loopt, en zo zoet dat de bijen jaloers worden."
De ekster floot. "Dan moet je naar de Oude Boomgaard. Daar staat een appelboom die meer dan honderd jaar oud is. Mijn opa zei altijd: zijn appels zijn de mooiste van het hele land."
Pip bedankte de ekster en huppelde verder. De Oude Boomgaard lag aan de andere kant van een heuvel. Hij stak een beekje over, kroop onder een hek door, en zag toen voor zich uit de boomgaard liggen.
De honderdjarige boom stond er prachtig bij. Zijn takken hingen vol met appels in alle kleuren: rood, geel, oranje, zelfs een beetje rozeachtig.
Maar er stond een muis voor de boom, met haar armen over elkaar. "Stop!" zei ze. "Wie ben jij?"
"Ik ben Pip, en ik zoek een appel."
"Iedereen wil de appels van deze boom," zei de muis. "En als iedereen er een neemt, blijft er niks over. Daarom mag je er maar één. Maar je moet eerst antwoorden op een raadsel."
Pip ging zitten. Hij hield wel van raadsels.
"Wat krijg je als je rood plus geel mengt?" vroeg de muis.
"Oranje!" riep Pip.
"Goed!" zei de muis. "En wat zit er in jouw rugzakje?"
"Twee theedoekjes en een potlood," zei Pip eerlijk.
De muis knikte goedkeurend. "Eerlijk en slim. Mooi. Kies je appel."
Pip keek heel goed. Hij snuffelde aan een rode appel, schudde aan een gele. Toen zag hij hem: hoog in de boom, helemaal aan het bovenste takje. Een appel die rood was met een gele blos, alsof hij had geblozen.
"Die!" zei Pip.
De muis floot, en een sprinkhaan sprong omhoog en duwde de appel uit de boom. Hij viel zachtjes in een grote bos blaadjes.
Pip droeg hem helemaal naar huis op zijn rug. Het was zwaar, maar de appel was groter dan zijn hoofd.
Thuis bij zijn mama, beten ze er samen in. Het sap liep langs hun snuiten. Het was perfect.
"Mama," zei Pip met zijn mond vol, "dit was het wachten waard."
~ Einde ~